
De kast in de bijkeuken moest al maanden worden opgeruimd.
Iedere keer als Marijke de deur opendeed, dacht ze: daar moet ik echt eens doorheen. En iedere keer deed ze hem weer dicht. Er was altijd wel iets belangrijkers. Maar op een dinsdagochtend zette ze een vuilniszak naast zich neer, haalde een lege doos uit de schuur en begon.
Bovenop lagen gebruiksaanwijzingen van apparaten die allang niet meer bestonden. Een oude magnetron, een koffiezetapparaat, een mobiele telefoon die zelfs de kleinkinderen waarschijnlijk niet meer zouden herkennen.
‘Waarom hebben we dit allemaal bewaard?’ zei ze hardop. Dat deed ze vaker sinds Henk er niet meer was. In het begin vond ze dat vreemd. Inmiddels vond ze het vooral vreemd wanneer ze een hele dag niets tegen hem zei.
Daaronder lag een envelop met pasfoto’s. Henk keek haar vier keer streng aan vanaf één velletje. Voor zijn nieuwe rijbewijs, wist ze weer. ‘Alsof ze je alvast voor het politiebureau fotograferen,’ had hij gemopperd. Die foto’s bleven. De rest ging verrassend gemakkelijk. Oude sleutels, uitgedroogde stiften, lege batterijen, garantiebewijzen.
Een stukje papier
En toen vond ze een klein, dubbelgevouwen papiertje. Ze wilde het bijna weggooien, maar herkende het handschrift. Henk.
Melk
brood
koffie
kattenvoer
bananen
WC-papier!!!
Drie uitroeptekens. Natuurlijk. Ze wist het meteen weer. De week daarvoor was Henk thuisgekomen met twee volle boodschappentassen. Kaas, yoghurt, koekjes die niet op het lijstje stonden, pindakaas omdat die in de aanbieding was en drop voor in de auto. Maar geen wc-papier.
‘Henk.’
‘Wat?’
‘Het wc-papier.’
Hij had naar de tassen gekeken en vervolgens naar haar.
‘Verdorie.’
De volgende keer had ze het met drie uitroeptekens opgeschreven. Of misschien had hij dat zelf gedaan. Dat wist ze niet meer. Marijke glimlachte.
Gewoon Henk
Daar zat ze, op de vloer van de bijkeuken, met een oud boodschappenbriefje in haar hand en ineens was hij er weer. Niet Henk van de rouwkaart of van de mooie foto’s die de kinderen hadden uitgezocht. Niet de man over wie tijdens zijn afscheid zulke lieve woorden waren gesproken.
Gewoon Henk. Die boodschappen deed. Dingen vergat. En bij thuiskomst riep: ‘Ik heb alles!’, waarop zij voor de zekerheid toch altijd even in de tassen keek.
Het was bijna een jaar geleden dat hij was overleden. Zijn kleding was inmiddels uitgezocht. Zijn horloge had hun zoon gekregen, een kleindochter droeg soms zijn wollen sjaal en zijn vulpen lag in Marijkes bureaulade. Dingen waarvan iedereen begreep waarom je ze bewaarde. Maar niemand zou ooit vragen waar Henks boodschappenbriefjes waren gebleven.
Waarschijnlijk was dit niet eens zijn laatste. Het was zomaar een briefje van een gewone dag waarop de melk bijna op was en er brood moest komen. Ze wist niet meer wat ze die dag hadden gegeten of wat ze hadden gedaan. Wel wist ze hoe Henk vanuit de keuken riep of zij ook koffie wilde. Hoe zijn krant na het ontbijt op tafel bleef liggen. Hoe hij zijn bril overal neerlegde en vervolgens aan haar vroeg waar die was.‘Ik ben je brillenbeheerder niet,’ zei ze dan. En vervolgens zocht ze mee.
Zelfs het keukenkastje dat hij altijd open liet staan miste ze soms. Vroeger kon ze zich daar eindeloos aan ergeren. Nu zou ze er veel voor overhebben om het nog één keer achter hem dicht te moeten doen.
Wat je uiteindelijk bewaart
Ze keek weer naar het briefje.
Melk. Brood. Koffie. Kattenvoer. Bananen. WC-papier!!!
Geen wijze woorden. Geen afscheid. Geen ‘ik hou van jou’.
Gelukkig maar, dacht ze. Want dat hoefde toen nog niet.
Ze legde het briefje naast zich neer en ruimde verder. De oude sleutels gingen weg, de batterijen apart en de pasfoto’s bij de familiefoto’s. Een uur later was de kast bijna leeg.
Toen Marijke terugkwam van de papierbak lag het boodschappenbriefje nog op de vloer.
Ze pakte het op en legde het in de la van haar bureau, bij Henks vulpen en een paar kaarten.
Misschien zou iemand het ooit vinden en denken:
Waarom heeft ze dit in vredesnaam bewaard?
Dat gaf niet. Marijke zag twee boodschappentassen op het aanrecht.
‘Henk.’
‘Wat?’
‘Het wc-papier.’
En ze hoorde hem weer zeggen:
‘Verdorie.’




