Vorige pagina

Als de zomer anders voelt


Voor veel mensen staat de zomer in het teken van vakantie, gezelligheid en lange dagen buiten. Maar als je iemand mist, kan deze periode juist extra confronterend zijn. Overal lijkt het leven door te gaan, terwijl jouw verdriet niet zomaar meebeweegt met de seizoenen. In onderstaand verhaal deelt Anna hoe zij de eerste zomer na het overlijden van haar partner ervaart.



De zon schijnt al dagen. Als ik uit het raam kijk, zie ik mensen in hun tuin zitten. Ik hoor kinderen spelen, ruik af en toe een barbecue en zie foto’s van vakanties voorbij komen op mijn telefoon.

Iedereen lijkt onderweg naar iets leuks.

Ik niet.

Een paar maanden geleden overleed mijn partner. In het begin was er veel aandacht. Er kwamen kaarten, bloemen en mensen die vroegen hoe het met me ging. Maar inmiddels is het gewone leven voor de meeste mensen weer begonnen.

Voor mij voelt dat anders.

Soms merk ik het op de vreemdste momenten. Laatst stond ik in de supermarkt en pakte ik automatisch zijn favoriete ijsjes uit het vriesvak. Pas toen ik ze in mijn handen had, besefte ik dat ik ze niet meer hoefde mee te nemen. Ik zette ze terug en bleef nog even staan tussen de diepvrieskisten. Alsof ik vergeten was waarvoor ik eigenlijk gekomen was.

Het zijn niet de grote momenten die me het meest raken. Het zijn de kleine dingen.

De lege stoel aan tafel.

De afstandsbediening die altijd aan zijn kant van de bank lag.

Het feit dat ik nog maar half zoveel koffie koop als vroeger.

Soms betrap ik mezelf erop dat ik iets wil vertellen. Een grappig voorval, iets wat ik onderweg zag, een bericht uit de krant. Heel even denk ik: dat vertel ik straks wel. En dan herinner ik me dat er geen ‘straks’ meer is zoals vroeger.

Wat ik misschien wel het moeilijkst vind aan de zomer, is dat verdriet zo weinig lijkt te passen bij de wereld om me heen.

In de winter begrijpt iedereen het als je binnen blijft. Maar de zomer lijkt verwachtingen met zich mee te brengen. Mensen vragen of je nog op vakantie gaat. Of je al op een terras hebt gezeten. Of je geniet van het mooie weer.

Ze bedoelen het goed.

Toch voelt het soms alsof ik tekortschiet als ik eerlijk antwoord geef.

Alsof ik iets niet goed doe wanneer ik op een zonnige dag vooral iemand mis.

Laatst kreeg ik foto’s doorgestuurd van vrienden die samen een weekend weg waren. Ik vond het oprecht leuk voor hen. Echt waar. Maar tegelijk voelde ik een steek van jaloezie. Niet omdat zij plezier hadden, maar omdat zij nog steeds vanzelfsprekend samen herinneringen maken.

Dat besef kan ineens binnenkomen.

Tijdens het ophangen van de was.

Tijdens een wandeling.

Of wanneer je op een warme avond buiten zit en merkt dat er niemand meer naast je zit.

Sommige avonden zijn het moeilijkst.

Dan blijft het lang licht. De dag lijkt niet te willen eindigen. Vroeger zaten we vaak nog even buiten. Gewoon samen. Niet omdat we iets belangrijks te bespreken hadden, maar omdat het fijn was om dezelfde avond te delen.

Nu hoor ik de vogels, zie ik de zon langzaam zakken en voel ik vooral hoeveel stilte er is gekomen.

Een vriendin vroeg me laatst mee naar een terras. Ik twijfelde. Uiteindelijk ben ik toch gegaan.

We dronken een glas wijn in de avondzon en om me heen werd gelachen en gepraat. Mensen maakten plannen voor vakanties, vertelden over kinderen en kleinkinderen, over verbouwingen en uitstapjes.

Ik luisterde en deed mee aan het gesprek.

En toch voelde ik me soms ver weg.

Alsof ik aanwezig was in een leven waar ik nog niet helemaal in teruggekeerd was.

Toen ik die avond thuiskwam, wist ik niet goed of ik blij was dat ik gegaan was of liever thuis was gebleven.

Misschien allebei.

Dat is iets wat ik steeds vaker ontdek: twee gevoelens kunnen naast elkaar bestaan.

Ik kan genieten van een kop koffie in de zon en tegelijkertijd verdrietig zijn.

Ik kan lachen om een grap en vijf minuten later ineens huilen.

Ik kan dankbaar zijn voor de mensen om me heen en toch verlangen naar degene die ontbreekt.

Een paar dagen later trok ik mijn wandelschoenen aan en reed naar het bos.

Geen muziek.

Geen telefoon.

Alleen de bomen, het geluid van vogels en mijn eigen gedachten.

Ik liep zonder doel. Voor het eerst in lange tijd voelde ik niet de behoefte om mezelf af te leiden.

Op een gegeven moment ging ik zitten op een omgevallen boomstam.

Ik keek naar het licht dat tussen de bladeren door viel. Naar een merel die druk bezig was tussen het mos. Naar niets bijzonders eigenlijk.

En misschien was dat precies wat ik nodig had.

Geen oplossingen.

Geen adviezen.

Geen goedbedoelde opmerkingen.

Alleen ruimte.

Ruimte om te missen.

Ruimte om moe te zijn.

Ruimte om lief te hebben wat er niet meer is.

Daar, tussen de bomen, besefte ik iets wat ik diep van binnen waarschijnlijk al wist.

Verdriet laat zich niet wegsturen door mooi weer.

De zomer geneest geen verlies.

Maar verdriet hoeft ook niet te verdwijnen voordat er weer ruimte komt voor kleine mooie momenten.

De rust die ik die middag voelde, bleef niet.

De volgende dag was het gemis er opnieuw.

En de dag daarna ook.

Toch had die wandeling iets veranderd.

Niet omdat het verdriet minder was geworden.

Maar omdat ik mezelf had toegestaan om ermee te zijn.

Zonder haast.

Zonder verwachtingen.

Misschien is dat wat rouw uiteindelijk van ons vraagt.

Niet dat we het loslaten.

Niet dat we eroverheen groeien.

Maar dat we langzaam leren leven met wat we meedragen.

Stap voor stap.

Dag voor dag.

Ook wanneer de zon schijnt.